KANA, 30 juli 2006

 

                         Lukas 6:31

 

Toen ze twaalf was stierf haar oom door een raket

die uit het land der heren kwam. Tien jaar later is ze

groot en zou ze trouwen. De bruiloft gaat niet door.

Onder stoffend puin bedolven werd het nichtje dat

hun bruidsmeisje zou zijn. En: geen bruidegom.

 

Die ligt in stukken tussen resten van de buren.

Ze waren allemaal gewoon aan ’t slapen in de vroege

ochtenduren die voor hen de laatste bleken. Van

verdriet kan ze niet spreken. Het grote snikken komt

wellicht pas over maanden, jaren. De wezenloze

 

blikken zijn nu gericht naar het land waar de dood

hun kant op is gestuurd, de gulden regel grof

geschonden werd. Waar een niet te dragen schande

boven hangt. Er groeien hier dit jaar vergeefse druiven.

Nooit zal ze hem nog naar zijn werk uitwuiven.

 

Een eerste wonder verrichtte Hij hier. Water werd wijn.

Zijn moeder was erbij, verrukt over wat hij zo stoïcijns

gebeuren liet. Troosteres der Verdrukten, maar dat

wist ze toen nog niet. Moeder der Smarten. Bid voor

haar. Er gaat in Kana een huwelijk niet door.

 

 

PLOTS

 

Bleek en stil als een verdwenen taal het bijzijn

van barmhartige getuigen. Vanuit hun wijkplaats

zien zij ultimatums verstrijken. Honkvast broeien

in vergeetputten de wrede taboes die ook klopten

in de aders van onze voorvaders. Wat is nu een

 

zwaard nog waard? De steel van de bijl keert zich

dikwijls tegen het woud waar hij vandaan komt.
 

ONDERWEG

I

Langs de trein schiet buitensporig groen.
Trekpaarden grazen zich tonrond, een koppel
lijsters inspecteert hun drollen.
China Shipping
staat er op wagons die ineens naast ons rijden,
en Hatsu Marine. Het is gezien. Wij bedenken

graag zinnen om tijdens schemering te neuriën.
Van eigen tongval de diepte almaar lichter.

II

Hoe glooien mooi is. Maak met dit weer
maar eens uit welke wolk nou voor de andere
schuift. Er wordt in het voorbijgaan bij dorpse
voetbalclubs gejuicht, een boerse man wuift
naar wat op een blauw lobeliaatje lijkt en kijkt

van een schrijvende niet op. Op ’t einde van zijn
hof begint een merel trillend aan het eerste lied.


ONTMOETING

Door een venster zie ik hoe familie tafelt. Samen
weigert men stilzwijgen te verbreken. Een oude man
aan wie het maal gewijd is tikt tegen een glas om niets
te zeggen. Een poes kijkt mij aan. Ze wil mij iets
duidelijk maken, maar wat ontschiet haar. Dan daalt

ze maar af naar een doel dat ik nooit herkennen zal.
Er worden in dit dal droevige complotten gesmeed.

 

 

OUDE FOTO'S

Een dame die op oude foto’s hardnekkig
wuift naar niets dan welwillende lens
door mannenoog bekeken. Ik zie haar
drang toch naar behoud? Met geheven
arm wil ze bevriend met later zijn, met

op haar hoofd een zomerhoed en achter
zich de vloed van toen. Gedwee gemoed.


LAMMERSNEEUW

Waarom moet hij die de slagorde van leugens
durft te tarten uw woede velen? Behoorlijk
grof van korrel is uw gevoel voor realiteit,
mijnheer. Ik stel slechts in vraag en misdoe
niets. Wist u dat in Schotland sneeuw in april

lambing snow wordt genoemd? Te wedden
durf ik van niet. Zie je nou wel? Zinnig slot.

 

 



ONZE VADER

Op het beeldscherm plots
via de computer van mijn zusje
onze vader als een voorstudie

van zichzelf. Hij vermomt zich
amper op een tandem, voor
een meisje dat verdween.

Hij lacht, in tijden die wij
angstig moeten vinden
van de boeken. Hij lacht.

Van ganser harte. Hij kijkt
door heel de wereld heen, en ik,
ik werd van hem een verte.

Ik zie hem zo weer

staan.

 

GROEPSPORTRET MET AARDE

                    Bij een schilderij van François Vermeulen

Het is hen aan te zien: het verlangen
naar verte, de vermoedens van geluk.
In hun hoofden razen
gedachten uiteen als mussen na
een donderslag.

Ruimte genoeg, in deze
blikken leeg als confetti


DAGBOEKBLAD (Donderdag 1 september 2005)

Sint-Catharina waakt over haar kapel.
Het is een graad of vierentwintig. Bewolkt.
In bloei: Suzanne met de mooie ogen,
ijzerhard ook nog wel. Spreeuwen vieren

in hun vlieren feest met bessen. Banken
kraken. Hier ruikt het naar dorst die amper is
te lessen. Zware kandelaren torsen kaarsen
waaraan nog vlammen moeten groeien.

Open vensters geven geen geluiden prijs.
Kleurige bloemen met linten eraan sterven
op gepolijst hout. Ze bewegen zachtjes
wat in dit verstilde uur, verven ogen nat.

Er wacht vuur, geen graf. Vreemde vriend,
allerhoogste vreemde: keer u niet af. Er valt licht
door glas. In de kist die wij naar binnen dragen
ligt het lichaam dat van onze moeder was.


DE STERVENDE GERMANICUS 

 

 

 

 

 

 

 

                                          bij het schilderij van Nicolas Poussin

Omgeven door getrouwen sterft Germanicus.
Men rouwt reeds voor de laatste adem
zijn huidig lichaam rust geeft. Nog even

in het leven voelt hij zich daarom eenzamer
dan ooit, als Capreae in de zee. Hij denkt
aan sperwers over velden. Zijn ogen tekenen wegen

in de lucht die wij nooit volgen kunnen

                      

                          verschenen in Bzzlletin jaargang 17, nummer 160

 

HAVENBEELD

Wees gerust oude golven, niemand
weet de weg. Wij zwerven helemaal thuis.

Bollend als een meisjeshandschrift troost
uit regen op kranen. Wit krijt,

uitlopende tekens. De wereld is zo wijd:
meeuwen scheren krijsend langs de gilling.

 

                        verschenen in Antwerpen – De stad in gedichten
                        (samengesteld door Philip Hoorne)
                        Amsterdam, Uitgeverij 521, oktober 2003

 

AVONDMAAL 

     
 

                        bij het schilderij van Michael Triegel

 

Strak van zwartheid achterdoek. Of is het voorhang?
Wat zit hij daar te kijk in gillende stilte, aan een tafel
met mooi geplooid laken erover en ruimte voor
wel dertien man alleen. Zijn gezicht onbeschreven blad,
de haren eromheen lijken verse wondkorst als water
dat aan de randen van ruige sloten schoorvoetend ijs wordt.

Achter zijn rug onbekende steden vol verzonnen plattegrond,
gekneusde dromen, krimpende en ruimende einders.
Als beloning voor deugdzaam leven een kers, een erg rode.
Vrucht van paradijs naast lege glazen. Hij vraagt zich af
of je kunt stoppen met springen. Agnus Dei. Ontferm u.

 De Heer zal bij u zijn in alle leegte.
 

                        verschenen in Brabant Literair,
                                               Den Bosch,  52ste jaargang, nummer 1, januari 2003

 

PETRARCA REIST ONGEWAPEND DOOR DE ARDENNEN


In nevel knarsen wielen door de wouden.
De paarden houden bijna voor bevel al halt.
Zij liepen reeds op duizend heuvels en langs
duizend beken. Rust nu, tussen vreemde bomen.

 
Herkent de dichter van de buizerd en de sperwer
het verschil in klank? Hij krabt zich in het haar, stapt wat rond
vanwege stijve leden. Naast hem staren donkere vijvers
in stomme schijn omhoog, als ganzen naar een onweer.

 
Hij peinst. Het bestaan plooit zich volgens hem
steeds naar voorspellingen. Voltrek u, wonder, elke keer
opnieuw aan hem: ook in deze onbekende hellingen
ziet hij van zijn lief contouren. Ze stemmen hem droef.

 
Hij kent de grenzen van de wereld niet zo goed.
Wat is er al gebeurd in streken waar hij nooit van hoorde?
Ook daar toch gloorde dagelijks de zon,

begon het daveren van leven steeds opnieuw.

 

Op ruige wol het moede hoofd. In zijn slaap
palaveren politici, gooien krijgers dolken naar een wolk
en schilt een Laura peertjes. Dan slaat trillend licht

in het hart van zijn dromen: vertrek naakt.

 

Francesco raakt wat natte neuzen aan. Hij doet een plas

tussen de wilde weit. En stijgt dan op.

 

 

                                                verschenen in De Brakke Hond,

                                                                Antwerpen, nummer 79, zomer 2003

                                                                             

 

 

VEERTIG LAARZEN

 

 

Twintig man. Arm-in-arm. Vondst bij graven
voor de bouw van een fabriek. Samen fluitend trokken
deze jongens vrolijk ooit het water over. Er moest
een Grote Oorlog, en zij, zij zouden daar wel even.

Door bakeliet van telefoons over de schans en kogels
tegemoet gestuurd hield voor hen, Arras in '17,
het leven zomaar halt. Koppig bot dat gebroken wit
in van nog meer zwangere grond op later wachtte.

Onder verse klaver en bloeiende netel de blikken dood
naar boven gericht in leeggegeten kassen.
Nu van de aarde de opperhuid is weggeharkt,
liggen zij elleboog in elleboog een Holbein na te doen

met aan hun voeten nog in goede staat hun laarzen.
 

                                                verschenen in In de buurt van de wereld,
                                                                Bergen op Zoom, Uitgeverij Kleinood & Grootzeer, 2002

DROMEN VOOR BEGINNERS

 Een: Doe een handgeschreven brief op de post.
Twee: Plooi u in een warm bed naar een diepe slaap.
Drie: Heb in uw bestemming het volste vertrouwen.
Vier: Wals alleen met lang vergeten klasgenootjes.
Vijf: Groet zwaaiende matrozen met een glimlach.

Zes: Streel de drieste, warme zadels zachtjes.
Zeven: Hoor van de haan die u spant de klik.

 

ZELFPORTRET MET SCHIJNBEELD

Vannacht ben ik een Bolognezer. Een ieder
die mij op de Piazza Verdi passeert deel ik
zebravinkjes uit, ontelbare zebravinkjes.
Wat een geluid maken die vogeltjes. Het lijkt
het hardste marmer te kunnen doordringen.

Uit alle ramen van de universiteit steken
gezichten met vraagtekens. Ik ween niet. 

 

LAMMERSNEEUW

Waarom moet hij die de slagorde van leugens
durft te tarten uw woede velen? Behoorlijk
grof van korrel is uw gevoel voor realiteit,
mijnheer. Ik stel slechts in vraag en misdoe
niets. Wist u dat in Schotland sneeuw in april

lambing snow wordt genoemd? Te wedden
durf ik van niet. Zie je nou wel? Zinnig slot.

 

AANZIJN

Waar ooit bloei was glanzen nu warm
verhalen. Over hoe het was toen vreugde
werd afgebakend met glaasjes gazeuse.
Toen winters wit. Geloof glijdt langs zijn
eigen spiegels. Ik was jong in een periode

dat we nog communiceerden met de tong
uit de mond. Ook in andermans parochie.

  

SCHULD

Dit is het uur van de zwijgende buren.
Van de zwijgende buren is dit het uur.
Hun voeten branden en hun hoofd is leeg.
Ze zeggen macht, maar zonder zegen.
Tot het vervloeken van de eigen stam

zijn ze bereid, van boete ver weg. Werp
van hun bitter hart de blinddoek toch.

 

ZOEKPLAATJE

Haast iedere week zie ik wat oude soortgenoten die
met gefronste wenkbrauwen sermoenen prevelen.
Hun brandglas is op het heden gericht, en achter
hen smeulen er schepen. Het zijn figuranten die
met het heimwee van pasgeborenen catacomben

verkennen. Zij nippen stil van warme drankjes
en zien zich weerspiegeld in een dampend theeëi.

 

REFLECTIE

We'll meet again,
Don't know where,
Don't know when,
But I know
We'll meet again
Some sunny day.

 

(Hughie Charles & Ross Parker)

Na heilzame vlucht doet de rijkdom van vreugde,
van welkomst deugd want van verstoppen kun je geluid
niet herkennen, van blote magen evenmin. Niets
geeft dat, want daar heb je het al: heel de omgeving
zwijgt als een pas vaalgeel gestukadoorde wand.

Te denken: tot je begraven of verbrand wordt
hoor je als je dood bent alles, zegt men. Alles.
 

WENTELGANG

Taalmeesters lopen vast in schemergebied, de mist
van zachte smart tegemoet met overschot van gelijk.
Het water rilt van ver-gehoorde treinen, het gras geurt
killer van vertreden netels. Handen voelen aan een boom
met in de bast letters om een hart gesneden. Doortocht.

Vreemde vertolkingen van verdwaalden vol verlangens.
Ze dragen ringen van zilver, en beurzen met zand erin.
 

ALLEZ

Allez, laat ons koers zetten naar donjons
van papier-maché, naar  hangende tuinen.
Langs belang van gehoor en lust en vreugde
gaan geen godenloze vrienden. Wie valt winst
toe op het meer der onwillige winden? Havens

schieten alle kanten uit wanneer je vindbaar
varen wil. Lege zeilen hangen voor ons stil.
 

OVERGEVOEL

Achter elke hoek een schimmenspel met
strohalmen. Het is het moment om bloemetjes
te werpen, om in grage kaalte rond te tasten.
Je kunt lente niet haasten. Traag geurt ze
terwijl schijnbaar niets gebeurt. Niets?

Wie weet wat er zit in de kistjes waarvan
de sleutel op de bodem van de stroom

 

KLEINE SUITE 

I

Ziltgeur van lege middagen aan boulevards.
Herinnering heeft met duur te maken.
Alles is er voorbereiding op. Sporen worden
gebetonneerd, kastjes zijn ingelegd met palissander.
Wij communiceren in breekbare codes. 

De lucht betrekt vol vlucht naar zuiden:
geen vogel die zich het ei herinnert 

II

Je weet wat ze gaan doen maar wacht toch af.
Koestert balletjes in de lucht, kleine. In niet
begrepen traagheid doorbreken ze barrières.
Naast wakende vlammetjes schrijf ik
in deze schuiletage stilletjes warmte bijeen en zie

ik meisjes met zwierig om de ranke schouder
kleurige avondtasjes die mee uit dansen mogen. 

III

Kinderen dartelen in hun slaapkleed. Ze beloven
dat ze bestendig in elkanders dromen zullen zijn.
Ingekorfde pret. Buiten verbloemt grofkluitig
volk listig onzichtbare gebreken en stappen
politiekers blijmoedig de zeepkist op.

Schon dagewesen. Transitzone zacht als breed
wollegras. Hoe zwaar weegt hout op vuur?

                        Kleine suite verscheen in Krakatau, nummer 38, Rotterdam, april 2006

 

KNETTERENDE VLAGGEN

Heiliger dan het bloed van martelaren was
voor de profeet de inkt van geleerden. Dat
we dat weten, in koelen bloede weten. Geen
keuze. Veel oorlogen moeten nog beginnen, met
staal en holle leuzen. Aangewaaid komen langs

alle kanten woorden (het ene oor in, het andere
ook): kinderhanden moedertalen vaderlanden.

 

GEHEIM

Verbazingwekkend scherp gelijke tred
met de herinnering. Halsstarrig bedenken
van ballades omtrent niets. Opgestaan
zijn wij uit een lege slaap, en we eten nu
brood aan langzame, langzame tafels. 

Prevel maar voor een gesloten gordijn.
Traagheid is immers van geluk het geheim.

 

ROEP UIT DAN!

Verticale streepjes met een puntje eronder noemt
men uitroeptekens. Roep uit, roep uit, roep uit dan
vriendjes! Tuimel over geestdrift, en liefde voor
boeken vol vogels. Het mag allemaal. Geen sprake
van versagen. Accentueer de koenheid van de x

in een woord als larynx! Richt heel je lengte
op het slot van zinnen met voldongen feiten: !!!!