In de buurt van Bert Bevers

 

Door Daam Noppe / Foto’s Didier Dezaeytijd

 

De ‘schuiletage’ waarover Bert Bevers het in een van zijn, nog niet zo lang geleden in Krakatau verschenen, gedichten heeft is het appartement dat hij samen met zijn vrouw Geertje heeft in hartje Antwerpen. In de hal twee houtsneden van Renefer, uit 1924. Het raam van de grote living biedt een weidse blik op de noordoostelijke gevel van die megalomane vestiging van de Nationale Bank. Aan een van de wanden een oude kaart van Europa. Tegen de muur naast de deur een mooi ouderwets slingeruurwerk van het merk Vedette, in art nouveaustijl. Uit de luidsprekers klinkt het Sanctus uit de Deutsche Messe van Schubert. Twee poezen komen nieuwsgierig een kijkje nemen. De schildpad heet Zoeteke, de rosse Stefke. Ze likken elkaar in het zonnetje dat door het glas schijnt even achter de oren, en trekken zich niet veel later in het achterhuis terug. De dichter serveert espresso, en wij steken van wal.

 

U woont echt wel in het hartje van de stad!

Ja, en dat heeft nog geen ogenblik verveeld. U moet weten dat ik tot de minderheid behoor die geen rijbewijs heeft. Ik heb me zonder altijd prima uit de slag getrokken, alleen moet je wel bewust ergens gaan wonen waar je het openbaar vervoer nabij weet. Welnu: op het transferium daar stoppen vier tramlijnen en ik weet niet eens hoeveel buslijnen. Ik kan van hieruit alle kanten uit. Het Centraal Station is vijf minuten wandelen, en dat is tegenwoordig nog maar 2 uurtjes verwijderd van Gare du Nord, Paris. Maar er is ook voldoende groen in de nabijheid. Om de ene hoek is er het Stadspark, om de andere de Kruidtuin, de Botanieken ’Of. Daar kom ik heel graag. Ook de binnentuin van Het Elzenveld is een prima plek om je met iets te lezen in schaduw of zonnetje te nestelen.

 

Uw bundel Onaangepaste tijden lijkt me een periode af te sluiten. Uw meest recente uitgave Uit de herinneringen van een souffleur is heel anders.

Het klopt dat Onaangepaste tijden een fase afsluit. Het is een soort verzamelbundel met daarin werk dat her en der afzonderlijk verscheen, of hier pas op z’n plaats viel. Ik heb een poos langere, behoorlijk verstaanbare verzen geschreven. Die vind je ook in bijvoorbeeld In de buurt van de wereld. En nu ben ik iets cryptischer bezig, een proces dat al in gang was gezet met de lipogrammen in Reservoir. Ik heb veel inspiratie, en ben productiever dan ooit.

 

 

Vindt u dat uw recente poëzie toegankelijk is?

Ik kan me heel goed vinden in het antwoord dat Mark Boog gaf op de vraag of hij nu ‘begrijpelijke’ of ‘geheimzinnige’ poëzie schrijft: “Ik probeer heel toegankelijk te zijn, maar weiger daarvoor concessies te doen.” Een gedicht moet op zich kunnen staan, om het naar tevredenheid te consumeren hoef je niet te weten wat de favoriete kleur van de dichter is, of wat hij gaarne eet. In mijn allereerste bundel nam ik al een citaat van Archibald MacLeish op, dat ik nog immer relevant acht: “A poem should’nt mean but be.” In het begin stond ik wel merkbaar onder invloed van dichters waar ik als jongeling weg van was, Paul van Ostaijen en Lucebert meer bepaald. Niet zo vreemd dus dat het eerste werk expressionistisch en hermetisch was. Gaandeweg ben ik dan verstaanbaarder gaan schrijven, en momenteel werk ik graag in een tussenvorm van die twee uitersten. Ik vind het aardig dat die ontwikkeling door een aantal critici ook als dusdanig wordt herkend. Zo heb ik wat Thierry Deleu betreft de juiste synthese gevonden tussen ‘het nieuwe geluid’ van de Tachtigers, ‘het labo’ van de experimentelen en de taal van de neoromantici. Ook Albert Hagenaars constateerde dat ik me nu al een tijd behaaglijk voel in het taalgebied tussen deze perspectieven in mijn carrière.

 

Hoe groot is de markt voor poëzie?

Wanneer je je realiseert dat uitgevers al van een bestseller spreken als er van een dichtbundel in Nederland en Vlaanderen vijfhonderd exemplaren worden verkocht dan weet je het wel. De markt is klein, dus. Het is wel zo dat hij structureel aan het veranderen is. Vroeger was het zo dat grotere uitgevers om een beetje deftig over te komen in elke aanbieding ook een of een paar dichtbundels het licht deden zien. Dat is er in veel gevallen niet meer bij. Uitgeverijen van naam met een serieus poëziefonds zijn er nauwelijks meer. De mondialisering is ook hier merkbaar. Het verkoopt niet, dus wordt het gedumpt. Het heeft een poos geduurd voor de mogelijkheden ervan serieus door waren gedrongen, maar je ziet de markt nu vergroten dankzij internet. Dat biedt ongekende mogelijkheden. Dichters hebben dikwijls de fraaiste websites. Waarop ze hun bundels te koop aanbieden, of hun werk publiceren. Want dat is er natuurlijk het mooie van: je hoeft niet te wachten tot er eens in de zoveel jaar eens ruimte is voor een bundeltje met vijfentwintig of dertig gedichten. Je kunt nu zélf beslissen wát je vrijgeeft en wannéér. Natuurlijk is er op het internet ook een hoop ongelooflijke brol en amateuristische rijmelarij te vinden, maar wie zich er een tijdje in verdiept kan het kaf van het koren scheiden en een interessant rijtje favorieten bijeen rijven.

 

Ziet u de toekomst voor de poëzie gunstig in?

Met gemengde gevoelens. Het meeste jonge talent bedrijft in mijn ogen eerder cabaret, en lijkt het belangrijker te vinden op een podium te staan dan gelezen te worden. Toch zal er altijd wel een aantal interessante dichters blijven. En die zullen ook best wel hun niche blijven creëren. Maar het is wel treurig dat het onderwijs vrijwel volledig voorbij gaat aan deze fraaie discipline. Eind vorige eeuw begon ik met het tijdschrift voor poëzie De Houten Gong. Om aan te geven dat het hier een nobel en nodig initiatief betrof omdat het met de aandacht voor poëzie de laatste jaren alleen maar achteruit gaat voegde ik bij het eerste nummer een brief met een cartoon van Gertjan van Leeuwen. Beginnende ouwe lul heette die. Er is een man op te zien, die in een luie fauteuil zit en schuimbekkend op de leuning bonkt terwijl hij roept: “Een uur geleden was alles beter!” Ik ben op een leeftijd aan het komen dat sommige vertegenwoordigers van jongere generaties, en misschien ook wel van de mijne, af en toe een grumpy old man in mij bespeuren. En dan hebben ze soms gelijk ook. Want ik kan me mateloos opwinden over de teloorgang van een aantal zaken die ik van groot belang acht. Kijk, qua technologische ontwikkelingen is er alleen maar sprake van effectieve vooruitgang. Als je de mogelijkheden van zo’n I-podje ziet, die ik overigens zelf niet beheers, dan kun je niet anders dan concluderen dan dat je nu béter naar méér muziek kunt luisteren. Ik moet dan wel eens terugdenken aan die indertijd heftige maar in retrospectief toch eerder lullige transistorradio met één oordopje die ik vroeger had. Maar tegelijkertijd denk ik dan dat The Kaiser Chiefs, om maar een modern hip combo te noemen, best wel aardig klinken maar gewoon de platen van The Kinks, The Small Faces en XTC hebben geplunderd. Maar soit. Erger vind ik de verloedering van het Nederlands, en dan vooral in Nederland.

 

Is het zo erg gesteld met de beheersing van de moedertaal?

Het is al zo ver gekomen dat je kinderen niet eens meer kwalijk kunt nemen dat ze hun taal niet beheersen, want er is al een generatie leerkrachten aan het werk die is opgeleid door een generatie leerkrachten die óók al niet meer weet hoe het hoort. Wat je mensen zoal uit hoort kramen, terwijl je ziét dat ze niet in de gaten hebben welke fouten ze maken. “Doe jij eens zwaaien naar oma.” Doe jij eens boodschappen? Akkoord! Maar doe jij eens zwaaien naar oma? Neen, driewerf neen! Of mensen die verzuchten “En dan denk ik bij mezelf….” Ja, bij wie ánders? Veel mensen weten ook niet meer wat wederkerende werkwoorden zijn, en ergeren zich niet maar irritéren zich.

“Ach, als je mekaar maar begrijpt”, wordt daarover door slordige geesten dikwijls gezegd. Maar waarom moet ik het maar pikken dat míjn instrumentarium naar de vaantjes geholpen mag worden?  Het maakt de meeste mensen niet meer uit of er dt-fouten gemaakt worden, of ij en ei worden verwisseld. “De boodschap is toch duidelijk! Het is toch ongevéér goed?” hoor je dan. Maar waarom blijft 4 + 4 wel 8 en niet 7⅔? Da’s toch ook ‘ongeveer goed’? Deze deerniswekkende ontwikkeling zal niet zonder gevolgen blijven, want (om Drs. P aan te halen): Wie zijn taal niet waardeert, tast zijn eigen denkvermogen aan. Maar het ergste is dat het niet tot de taal beperkt blijft.

 

U bedoelt?

De Amsterdamse hoogleraar Thomas van der Dunk krabde zich in het haar toen hij een aantal eerstejaars studenten, let wel: universitáire eerstejaars, betrapte op fouten in wat volgens hem basiskennis moest zijn. Om de proef op de som te nemen verspreidde hij een blinde kaart van Europa waarop de studenten de landen en de hoofdsteden moesten schrijven. Volgens de jongere generatie is Barcelona de hoofdstad van Spanje, en werd Oostenrijk schrikbarend dikwijls als Servië aangeduid. Het verbijsterende resultaat: niémand had de kaart correct ingevuld. Hij nam nóg een test af, en maakte een vel met portretten van twintig beroemdheden die zijn studenten naar zijn verwachting allemaal wel zouden kennen. Daaronder Jezus Christus, Che Guevara, John F. Kennedy, Yasser Arafat en John Lennon. Het onthútsende resultaat was hier dat géén van de studenten de helft van de iconen kende, maar dat ze er állemaal één goed hadden: Ronald McDonald…..

 

Wat is in deze materie de taak van de politiek?

Ach, er is een periode geweest dat ik eventjes dacht dat het uitmaakte, dat het belángrijk was wat politici van onderwijs vonden. Die heeft maar heel kort geduurd want de laatste decennia heb je het onderwijs in Nederland voor je ogen kunnen zien desintegreren. Er was geen geld voor. Toen er geld voor was moest alles maar kunnen want ontplooiing was veel belangrijker dan het verwerven van kennis. En later werd de geldkraan steeds verder dichtgedraaid. De taak van de politiek in dezen is om zichzelf een rad voor ogen te draaien. Hoe vaker politici iets herhalen hoe makkelijker ze zichzelf gaan geloven. De gemakzucht ook waarmee afgelikte clichés telkens van stal worden gehaald. Als er op een kleuterschool een jongetje wordt vermoord is de politiek geschokt. Als er een vuurwerkfabriek ontploft, of een bomvol café in de fik vliegt is iedereen geschokt. Als er vliegtuigen in New Yorkse flats worden gevlogen is iedereen geschokt. Wat betékent die term nog? De vanzelfsprekendheid ook waarmee ze aannemen dat niemand een bocht van 180 graden in de gaten heeft. Neem zo’n Wouter Bos. In geen, let wel géén geval zou hij minister worden onder Jan-Peter Balkenende. Hij zou minister-president worden, of kamerlid blijven. Welnu: hij ís minister onder Jan-Peter Balkenende. Dergelijk gedrag is toch pathetisch? Maar wat ik helemaal zum Kotzen vind is het ergerlijk geleuter waarmee hij zijn draaikonterij probeert goed te praten.

 

U stoort zich, kortom, dikwijls aan de politiek?

Dikwijls. Maar graag! De slaafsheid waarmee Den Haag achter de Amerikanen aan loopt is tegenwoordig eerder beangstigend dan vertederend. In het regeerakkoord van de regering Balkenende-4 wordt nergens, nérgens verwezen naar de deelname aan de nog immer illegale aanval op Irak. ‘’Doodzwijgen die handel, misschien vallen ze er ons dan wel nooit meer mee lastig….” lijken ze te denken. Lippendienst aan Washington, dat is waar het om draait. En officieel natuurlijk het helpen aan de verspreiding van democratie. Wel, dan wórden er in gebieden waar zulks eerder niet gebruikelijk was verkiezingen gehouden, en dan bevalt de uitslag weer niet. Neem de winst van het FIS in Algerije, of die van Hamas.in Palestina. “Ja maar, dát was niet de bedoeling mensen,” is de reactie dan. “Jullie moeten natuurlijk wél mensen legitimeren die ons en Israël welgevallig zijn.” De schaamteloosheid ook waarmee ze iedereen een rad voor ogen draaien. Ik noemde net Hamas, maar je hebt ook Hezbollah. Allemaal terroristen volgens Tel Aviv en Washington. Maar laten we asjeblieft niet vergeten dat de joden daar bezétters zijn, hè? En dat Hamas en Hezbollah zijn ontstaan als reáctie op de Israëlische bezetting, al laten de machthebbers in Tel Aviv graag anders uitschijnen. Ook the ordinary bloke in the street in Engeland meent dat het Britse leger in Ierland is om daar de vrede waar mogelijk te bewaren: het IRA is pas ontstaan toen de Engelsen Ierland kwamen bezétten…. Laten we ook niet vergeten dat de Amerikanen in 1945 een historische fout hebben begaan: in dat jaar sprak Franklin D. Roosevelt met koning Saud af dat de VS geen enkele beslissing over de erkenning van een joodse staat in de regio zouden nemen zonder daarin de Arabische vrienden te kennen. Kort daarna stierf Roosevelt, en Harry Truman heeft zich van de belofte nimmer iets aangetrokken. Dat zijn ze niet vergeten in de Arabische wereld. Ach, helaas zitten er weinig intellectuelen in de politiek. Slim volk genoeg, maar wíjs? Slimheid is de achterbuurt van het verstand, zoals H.H. ter Balkt eens opmerkte. Ik moet, politici beschouwende, regelmatig aan die uitspraak denken. In se zijn het natuurlijk veelal satrapen.

 

Zijn die er ook in de wereld van de poëzie?

Natuurlijk. Dat is van alle tijden. Er zijn altijd mensen die zich in een centrale positie weten te manoeuvreren waardoor ze voor letterkundigen die carrière willen maken incontournable zijn. Ze zitten in besturen van instanties die subsidies verdelen, in jury’s, bij uitgeverijen, in redacties en noem maar op. Veel vriendjespolitiek dus. De een geeft iemand een subsidie, en die ritselt dan in ruil weer een prijs. Je zou er van verschieten als je eens goed in de gaten kreeg wat voor andere dan zuiver literaire motieven er in dat wereldje spelen.

 

En hoe zit het met de kritiek?

Tja, wat valt daar eigenlijk van te zeggen? Ook veel vriendjespolitiek, hoor. Maar wat stelt het nog voor in vergelijking met vroeger? Toen had iedere zichzelf respecterende krant een literaire rubriek. Poëzierecensies vind je amper meer. Dat achten uitgevers zonde van de ruimte. Maar ja, het zijn niet alleen letterkundige rubrieken die verdwijnen, maar ook hele kranten. Dus als er dan weer eens vijf of zes bladen worden samengevoegd mag je al blij zijn als er één uniform rubriekje resteert. Los daarvan is de publiciteit tegenwoordig zó georchestreerd. Vergelijk de boekenbijlagen maar eens als er een nieuwe Lanoye of Van Dis is. Daar besteden ze dan állemaal tegelijkertijd aandacht aan. Een eigen agenda? Daar heeft niemand ruimte voor. Of zin in.

 

Zijn er nog gezaghebbende critici?

Alleszins. Gelukkig wel, zeg. Alleen: veel minder dan vroeger. Nogmaals: ook omdat er minder media zijn die aandacht aan poëzie besteden. Neem de Haagsche Courant. Die fuseert met een aantal andere dagbladen, en hop de poëzierubriek van Albert Hagenaars is wég. Of BN/De Stem, op zich al een fusiekrant. Die gaat in een groter geheel op en fóetsie is de poëziekroniek van Yvonne Né. Critici met verstand van zaken blijven onder meer Piet Gerbrandy bij De Volkskrant en Ilja Leonard Pfeijffer bij NRC/Handelsblad. Vooral die laatste is meestal erg stellig, maar duidelijk. Hij heeft het, net zo min als ik overigens, niet begrepen op podiumspringers. Allez, de gustibus non est disputandem maar je hebt nu eenmaal schrijvers en schrijvenden. Mensen die serieus met poëzie bezig zijn, en mensen die graag in de schijnwerper staan en dan maar iets schrijven om iets te berde te brengen te hebben. Johnny The Selfkicker zaliger, Jules Deelder, Bart Chabot, Simon Vinkenoog en bij de jongeren De Woorddansers. Dat heeft allemaal meer met cabaret dan met poëzie te maken. Soms klinkt dat allemaal best wel goed, maar wanneer je eens goed gaat lézen wat ze brachten blijft er te vaak schrikbarend weinig van over. Ik heb het meer voor wat de goegemeente ‘moeilijke’ poëzie noemt. En ben het met Pfeijffer eens, die stelt dat voor dergelijk werk een andere manier van denken vereist is omdat poëzie lezen een vorm van vermoeden is. En dat je verstaanbare poëzie kunt lezen zoals je de gebruiksaanwijzing voor een wasmachine leest.

 

 

U houdt niet van cabareteske dichters. Wie kunnen uw goedkeuring wel wegdragen?

Grote Jongens als Dante Aleghieri, Stephan Mallarmé, Paul Celan en Rainer Maria Rilke natuurlijk. In onze letteren vind ik H.H. ter Balkt een monument. En Peter Holvoet-Hanssen een fenomeen. In het algemeen heb ik een zwak voor eerder ‘talige’ poëzie als die van Piet Gerbrandy, Hugues C. Pernath, Willy Roggeman en Hedwig Speliers. Ze onderscheiden zich naar mijn smaak des te meer naarmate er meer babbeldichters en rijmelaars zijn. Niet dat die hun ding niet mogen doen, hoor. Als ze mij er maar niet mee lastig vallen. Ineens schiet me een Chinees spreekwoord te binnen: “Er zijn bergen zonder top, maar geen toppen zonder berg”…..

 

Wat zet u tot schrijven aan?

O, mijn inspiratie kan overal vandaan komen. Je zult in mijn werk dan ook gedichten vinden die geïnspireerd zijn door film, kunst, muziek en wat dies meer zij. Sommige sportprestaties kunnen me echt raken. Neem de Tour de France van drie jaar geleden. Thomas Voeckler, een leuk ventje, reed zich in de vijfde etappe in de gele trui. Daarmee was hij al zo blij als een kind. En daarna droeg hij hem, debutant in de Tour nota bene, nóg tien dagen. Vooral de manier waarop hij zich in de veertiende etappe in de Pyreneeën letterlijk naar boven knókte en bij de meet nog steeds 22 seconden voorsprong op de latere winnaar Armstrong behield was indrukwekkend. Il faut le faire. De blijdschap en trots die hij toonde waren ontroerend. Kreeg er tranen van in de ogen. Verder is er dikwijls een woordvolgorde die me in gang zet, of een bepaald beeld. Voorts kan verontwaardiging mijn pen in beweging brengen. Dat bombardement op Kana bijvoorbeeld. De hartverscheurende onrechtvaardigheid waarmee Israël en de Verenigde Staten ondertussen hele generaties Palestijnen tot wanhoop drijven. En soms heb ik het idee dat ik een ziener ben, dat de dichter in mij dingen eerder ziet. ‘Door langzame luchten noteert de jonge / George Bush na zijn eerste bezoek aan Europa in het vliegtuig / terug in zijn dagboek There’s nothing out there.’ schreef ik in Stadspark. Ik las dat voor vanaf het bordes van het stadhuis van Assenede, tijdens het Poëzieforum van A(rt)ssenede, op vrijdag 17 augustus 2001. Een paar weken later moest ik regelmatig aan deze regels denken….

 

U hebt hebt het niet zo op de Verenigde Staten van Amerika?

Natuurlijk zijn we indertijd manu militari door hen bevrijd. Maar sindsdien zijn we naar mijn gevoel, zeker op cultureel vlak, eerder door de Amerikanen bezet. Coca Cola, commerciële realitytelevisie, McDonalds, Hollywoodbrol. Kaalslag. Ze creëren één grote culturele laagvlakte. Wat dat aangaat ben ik de Fransen meer en meer gaan begrijpen. Je hoeft niet álles te pikken. Ik snap dat ze heel alert zijn op het behoud van hun taal. Zoals de Vlamingen dat ook zijn. Veel meer dan de Nederlanders. Die beheersen hun eigen taal niet eens meer, en combineren de resten ervan met een schabouwelijk steenkolen-Engels. Het gemak ook waarmee ze de transatlantische gewoonten klakkeloos overnemen. Het bijvoorbeeld over 9/11, Nine-Eléven, hebben. Waar sláát dat op? 11/9 is het, ja!? 11 septémber. En niet 9 november….Hè, ik vind het heerlijk om me over dit soort zaken op te winden. Best lekker soms, om het schuim van je lippen te laten spatten. Maar goed, de ergernis is er niet minder om. Tant pis!

 

U ergert zich graag?

Laat ik zeggen dat ik ergernis niet per se een onaangename emotie vind. Maar op de keper beschouwd ben ik, dat heb ik van mijn vader zaliger, een flegmaticus. Wellicht heb ik daarom een voorkeur voor 2de verdiepingen en Ardennenachtige landschappen. Ik zou met mijn hoogtevrees niet hoger willen wonen, en ik heb liever een vriendelijke heuvel dan een steile berg. Emotioneel ben ik redelijk gelijkmatig. Wéér. Want twee jaar geleden ben ik gestopt met roken, en toen had ik wel last van pieken en dalen. Moest ik regelmatig denken aan de regels ‘So steig’ und fall’ Ich mit der Seele Wogen.’ Terugblikkend ben ik er overigens vrij vlot mee weten te stoppen. Van het ene moment op het andere, zonder hulpmiddelen. Zeker toen ik ontdekte hoe duur nicotinepleisters zijn, nota bene dúúrder dan sigaretten. De fysieke afhankelijkheid van nicotine ben je vrij rap kwijt, in een week of twee. Maar roken is heel wat meer dan een lichamelijke verslaving, het sust je hele systeem. Al met al heeft het me toch wel maanden gekost om er gevoelsmatig van af te zijn. Maar als ik eerlijk ben moet ik bekennen dat ik nooit een niet-roker zal worden, maar altijd een niet-meer-rokende-roker zal zijn.

 

Vindt u het erg om wat af te dwalen naar wereldser zaken: wat is uw favoriete plek?

Onze woonplaats blijft een pracht van een metropool op mensenmaat. We wonen hier nu zo lang dat ik het idee heb dat ik de stad beter ken dan veel oorspronkelijke Antwerpenaars. Die komen eigenlijk net zo min als ze hun stad uit komen hun wijk uit als het niet nodig is. Ook Gent is een wonderschone stad. Voorts is Brussel veel leuker dan menigeen denkt. We komen er alleszins graag. Neem zo’n Abdij Ter Kameren, wat is dat toch een formidabel plekje in de stad. En al die nieuwbouw die er voortdurend wordt gerealiseerd heeft toch ook echt wel iets. Ik heb ook een zwak voor het veel te weinig gewaardeerde Bologna. Daar zou ik, en dat is toch een criterium, kunnen wonen. Maar dan wel in het voorjaar of het najaar vanwege bloedheet in de zomer en steenkoud in putteke winter. Vanwege die klimatologische omstandigheden zijn er ook die tientallen kilometers arcades: daar blijf je ’s zomers in de schaduw en ’s winters sneeuwvrij. Verder hebben Keulen en München een warm plekje in ons hart. Maar de stad der steden is toch wel Parijs natuurlijk.

 

Om culinaire of culturele redenen?

O, allebei. Natuurlijk bekijken we wanneer we in Parijs zijn graag galeries en musea, maar de stad op zich is eigenlijk al boeiend genoeg. En we eten graag lekker, maar daarvoor hoeven we – beweert Geertje toch – de deur eigenlijk niet uit. Da’s een compliment, want ik kook iedere dag. Ik vind dat ook leuk om te doen, zoals ik het ook aangenaam vind om boodschappen te doen. Ik vind dat ontspannend. Je bent even van opschrijfboekje, klavier en werkkamer weg. Je kunt al eens een babbeltje slaan. In die zin is schrijven wel een eenzaam avontuur. Maar goed: ik dwaal af. We eten dus graag lekker. Gebakken zalm, visfondue, veel pasta. Ik hou ook erg van stoverij, die ik – al zeg ik het zelf – goed kan maken. Met frietjes. Ik ben tevens dol op garnalen. En drink graag een frisse pint, en daar mag dan af en toe een lekkere borrel bij. Eigenaardig trouwens: wanneer ik nog maar één slok wijn op heb, dat zul je me dan ook nooit zien doen, heb ik hoofdpijn. Naar het schijnt heb je druiven- en graandrinkers. Welnu, ik ben een graandrinker. Bier, jenever, whisky, wodka? Ik lust het. Porto, sherry, wijn? Echt niet….

 

 

Iets anders: kunt u werken als er muziek klinkt?

Heel goed zelfs. Ik kon vroeger al prima studeren met de transistorradio aan. Wel is het sóórt muziek waarbij ik werk veranderd. Popmuziek leidt me tegenwoordig te veel af. Pas op: ik draai, om maar een paar namen te noemen graag The Beatles, Björk, Cocteau Twins of Zita Swoon maar ter ontspanning. De muziek waarbij ik kan mediteren en schrijven heeft zonder uitzondering iets contemplatiefs of repetitiefs. Gregoriaans, polyfonie van mensen als Alexander Agricola, Josquin Desprez, Jacob Obrecht of Johannes Ockeghem. Graindelavoix is in dat genre een formidabel ensemble. Toptalent uit Antwerpen! Albums van Gavin Bryars ook. En die speel ik dan soms een hele dag. The Sinking Of The Titanic bijvoorbeeld, of Cadman Requiem.

 

U schrijft soms ook poëzie bij films. Ik denk aan El Sur, of La double vie de Véronique. Welke films ziet u nog meer graag ?

Het zijn niet zozeer films waardoor ik me af en toe laat inspireren, maar flarden ervan. Een sfeerbeeld, een scène. Zoals het ook een foto, lichtval, een zinnetje of een oogopslag kan zijn die je aan het werk zet. Ik ben goed thuis in film, en filmgeschiedenis. Mijn vader was een kwart eeuw lang filmoperateur in een bioscoop met de mooie naam Roxy. Ik ben van jongs af doordesemd van cinema, omdat ik vroeg met hem mee mocht. Toen we thuis televisie kregen was dat voor mij ersatz. Gaandeweg is mijn voorkeur meer en meer bij de Europese film komen te liggen. Allez, een paar films (ik sla bekende klassiekers als Citizen Kane en M over) waarvan ik vind dat eigenlijk ieder ontwikkeld mens ze gezien moet hebben: Siegfried van Fritz Lang, Menschen am Sonntag van Robert Siodmak, l’Atalante  van Jean Vigo, I Vitelloni  van Federico Fellini, Il Posto van Ermanno Olmi, Il Gattopardo van Luchino Visconti, Kes van Ken Loach, Mephisto – István Szabó, La Famiglia  van Ettore Scola, Stanno Tutti Bene van Giuseppe Tornatore, La Fabuleux Destin d’Amelie Poulain van Jean-Pierre Jeunet, The Miracle van Neil Jordan, La Lengua De Las Mariposas  van José Luis Cuerda, Dancer In The Dark van Lars von Trier, The Others van Alejandro Amenábar en Etre et avoir, een ontroerende documentaire van Nicolas Philibert.

 

Kunt u zich uw eerste gedicht nog herinneren?

Ja en nee. Ik weet nog helder dat ik plotsklaps, ik zal veertien of vijftien geweest zijn, ineens enorm onder de indruk was van de reusachtige plataan die in het centrum van mijn geboortestad Bergen op Zoom staat. Ik realiseerde me dat die er al was toen Napoleon nog de dienst uitmaakte in onze contreien, en dat generaties voorouders hem hadden gezien. Maar het gedicht zelf heb ik niet bewaard. Later, veel later werd me gevraagd of ik bij de boom in kwestie een gedicht wilde schrijven. Dat deed ik, dat moge duidelijk zijn, alleen om sentimentele redenen al met genoegen. Het heet Dikke boom (zoals de plataan in de volksmond heet), en staat uitgefreesd in een roestvrijstalen hek. Het allereerste gedicht dat van me verscheen was, zonder hoofdletters want nog ferm onder de invloed van Lucebert, achter licht dat gepubliceerd werd in Cordaat, de schoolkrant van het Rooms-Katholiek Gymnasium Juvenaat Heilig Hart waar ik bijzonder graag heen ging.

 

En u bent blijven schrijven….

Ja. Je wordt geen dichter, dat bén je. Laatst vroeg een mevrouw, die om een handtekening kwam in een zojuist door haar aangeschafte bundel ‘Waarom schrijft u gedichten?’. Het zal wel onzekerheid geweest zijn, en waarschijnlijk wist ze niet goed wat anders te zeggen maar ik moest moeite doen om niet in de lach te schieten. Zou zo iemand ook aan een acteur vragen waarom hij staat te doen of hij iemand anders is, of aan een drummer waarom hij allemaal zo op die trommels zit te slaan?

 

Vindt u zelf dat er constanten in uw werk zitten?

Geschiedenis is er zeker een. Ik ben steeds op zoek naar bijzondere invalshoeken. Waardoor je ergens een andere, verrassende kijk op krijgt. Zo schreef ik Première niet zozeer bij de eerste uitvoering van Salome van Richard Strauss als wel bij de mensen die daar in mei 1906 in Wenen bij aanwezig waren. Niet alleen Gustav Mahler, maar ook Giacomo Puccini en….een jonge Adolf Hitler. Die waren daar dus écht! Als ik dergelijke informatie onder ogen krijg begin ik al te noteren. Of Bach gaat een pint pakken. We hebben allemaal een haast sacraal beeld van deze componist, en hebben bijna het idee dat hij van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat zat te arrangeren, componeren en spelen. Doorlopend onvergetelijke melodieën zat te bedenken. Nou heeft hij er ook heel veel nagelaten, maar ik probeer me voor te stellen hoe zo’n man zich gedroeg wanneer het eens niet lekker liep. Wil benadrukken dat er aan het moment van inspiratie saaie, of ‘gewone’ ogenblikken vooraf zijn gegaan.Op de een of andere manier heb ik ook iets met vogels. Voorts zit er beslist ook een religieus aspect aan mijn werk, zonder dat dit al te concreet wordt. Ik kom bijzonder graag in de Sint-Joriskerk bij ons om de hoek, ook buiten de eucharistievieringen om. Eigenlijk kom ik er het liefst als er niemand is, als er alleen kaarsen branden en er een streepje zonlicht door het glas-in-lood valt. Telkens weer inspirerende ogenblikken.

 

We mogen nog meer poëzie van u verwachten?

Als het aan mij ligt wel. Na lang schaven ben ik sinds een poosje klaar met de reeks Lambertus van Sint-Omaars beschrijft de wereld. In het begin van de 12de eeuw stelde deze vroege naamgenoot van me het Liber Floridus samen, de allereerste encyclopedie ooit. Rond 1150 werden twee kopieën afgeschreven, waarvan de ene zich in Wolfenbüttel en de ander zich in Parijs bevindt. Het origineel bevindt zich in Gent, ik mocht het er bestuderen. Ik ben sinds ik met inplakplaatjes die je bij Blue Band kreeg zelf mijn eerste encyclopedie Ik weet het vervolledigde altijd verzot geweest op naslagwerken, en vond het fascinerend dat de auteur van de oudste encyclopedie ter wereld dezelfde doopnaam droeg als ik veel later kreeg. Reden genoeg om te proberen me voor te stellen hoe hij indertijd te werk is gegaan, te pogen de sfeer van zijn tijdsgewricht te pakken te krijgen. Ik vond het een leuk idee om Lambertus van Sint-Omaars beschrijft de wereld niet op papier te publiceren, maar het licht te laten zien op mijn website. Ik heb nog van alles in portefeuille, en schrap en schrijf voortdurend. Niet dat de wereld wakker ligt van poëzie op komst, en al helemaal niet van die van uw dienaar maar ik koester toch de illusie dat er een paar mensen zijn die het waarderen wat ik doe. Ik vind het belangrijker mijn energie te spenderen aan, laat ik een hoogdravende term gebruiken, Schoonheid dan aan literair gekissebis, of politiek. Er is een Arabisch spreekwoord dat ik sterk vind: “Wie met modder gooit, verliest grond”. En zo is het maar net. Vooruit, genoeg gebabbeld. Wat mag ik jullie nog inschenken?

 

 

© 2007, Het Ruisend Gewas