Verschenen in Ballustrada,
21ste jaargang, nummer ¾, Middelburg, 2007
Vlissinger snapshots
Mijn vader heeft Michiel de Ruyter goed gekend.
Toch zeker tot hij acht of negen was sprak hij dagelijks
zijn bronzen vriend toe die zo koppig richting Chatham
bleef staan kijken. Tot hij moest komen eten. Zinkwit
de avond het westen. Later had hij het zachtjes over
willen van legendes. Dat haren van dapperen harder
kunnen wapperen. En dat zeelui graag op maandag uit
vechten gaan, omdat ze dan nooit bang zijn. Perspectief
dat verspringt. Matrozen moeten varen. Aan wal wankelen
ze toch in leegte maar rond, als leerlingen zonder meesters.
Liever ruim sop. De hogeschool van het bloed, zomers in
die sneller dan thuis gaan. Hij zei voorts dat hij ze zo zag
passeren. Zingend op hun boten tot hun admiraal uit volle
borst, en scherend langs een boulevard waarop geen beeld
nog. De zee is wild, de zee is zilt, de zee is nooit gesloten.
AFSCHRIFT
Een scenario ter hernieuwde invulling
Vrij naar Ermanno Cavazzoni’s novelle Il poema dei lunatici
I
Luister niet naar de verraderlijke stem van een put.
Daar krijg je dromen van. Hoor, een triool van zestienden:
g.a.c.e. In de middeleeuwen noemden ze dat ‘de duivel’.
Net alsof er een hagedis tegen je rug opkruipt. Die duivelse
interval. Het moest verboden zijn om zulke noten te schrijven.
Door die pauzes kruipen de spoken, donker en kil. Hoe kun je
je wapenen tegen iets wat belooft, maar geen woord houdt?
II
Schijnt de maan straks? Weet je dat ik vanmorgen een populier
ben geworden? Bravo. Een mooi resultaat. Het is niks moeilijk
om een populier te worden. Zo gedaan. Als muziek ophoudt
weet niemand waar het geluid is gebleven. Maar de toekomst
heeft haar rechten, verborgen in het stille platte duister.
Redelijke mensen als wij vinden nooit begrip. Wie noemt een
vrouw nu een rijpaardje, dynamiet, een motor?
Ik kan me dat niet voorstellen.
III
Hoor je die echo? Ze hebben echt alles weggehaald.
Die hebben ze laten staan. Ik kon uren in vervoering
naar haar kijken. Die dame had prachtige lippen.
Is het waar wat ze zeggen? Dat ik smoorverliefd op je ben?
Stil zitten. Anders gaat het niet. Wat een lange levenslijn
hebt u. Een hele lange levenslijn. Ik zou u zo willen trouwen.
Ik trouw u meteen. Hoera voor allemaal. Meer schuimwijn!
IV
Iedereen is zo aardig. Zo, opgepast. Gefeliciteerd.
Het is een goede beslissing. Wat een mooie muziek.
Ik zou wel willen huilen. Wij weten van geur noch reuk
iets. Dingen die niets betekenen maar alles verklaren.
Vloeiend seizoen. Roeping. Roeping vindt ze belangrijk.
Jij had toch ook een roeping? Op ’t dak zitten was mijn
roeping. Heerlijk, op een dak dat je zelf hebt uitgekozen.
Tevreden met je eigen nietigheid. Net lucht. Wat zijn er
veel putten, verspreid over de hele aarde.
V
Een mooie volle maandag kan in je armen vallen.
Zeg me, waarom is er verdriet? Zouden we beter
af zijn zonder jou, maan? Hij mag me helpen
de maan te halen. Wat een hoop mensen.
Jammer dat ik ontdekt ben. Nu sturen ze vriendelijke,
breekbare types om te doen of alles zo onschuldig is.
Maar ik trap er echt niet in. Alles helt al naar beneden.
Dat heb ik vaker. Dat alles overhoop ligt? Dat wel.
Niet figuurlijk, maar letterlijk. Voelt u niet dat u valt?
Nee. Maar gaat u zitten. Ik wil u niet vleien,
maar misschien heeft u gelijk.