Verschenen in Dietsche
Warande & Belfort, Leuven, 133ste jaargang, nummer 10
HET
GELUK BIJ HET HANDENWASSEN
Vijf scènes geschreven bij het ’s nachts
zonder geluid bekijken van de in 1982 door
door Werner Masten geregisseerde film
Das Glueck beim Haendewaschen
Ich kreise um Gott, um den
uralten Turm,
und ich kreise jahrtausendelang;
und ich weiss noch nicht: bin ich ein
Falke, ein Sturm
ode rein grosser Gesang.
Rainer
Maria Rilke
I
(Eerste scène)
Hij spreekt vermanend toe,
Jij leest wat niet
gelezen worden mag.
Jij geeft het slechte voorbeeld
terwijl God je zoveel talenten schonk
en ook de rector zelf
zag veel in je.
Hij hoopt dat ooit
je nog de juiste weg
zult weten vinden
en geeft je boek niet wederom.
Met in de rug een crucifix
de school uit en de sneeuw in.
Op weg naar eeuwig heimwee.
Nooit meer zullen de bomen
lijken op dit moment en
altijd zul je dat wensen
Je duwt een lege sloep af.
Welke kant is thuis op?
Naar alle richtingen
laat je treinen vertrekken
en in de herberg tegenover
drinkt een oudere jongen bier.
Hij rookt. Een cigaret.
Hij weet een kamer.
Jij zoekt een baan.
IV (Vierde scène)
Koeien ontbenen
en aan haken koelcellen
intrekken is werk.
Het bloed dient van de muren
af een gootje in gespoeld,
het mes geslepen.
Slachten is zo slecht nog niet.
’t Gebeurt zelfs dat je lacht en
geen kruisbeeld wordt gemist
tot in de slaap.
V
(Vijfde scène)
Je vraagt je af
hoe lang de eenzaamheid
jou deze keer verdraagt.
Je voelt je als een welp
dat de warme tepel mist
wanneer de moeder jaagt.
Bert Bevers