Verschenen in Digther,

6de jaargang, nummer 3, Diksmuide, 2005

 

voorpublicatie uit Onaangepaste tijden

(met tekeningen van Ron Scherpenisse,

Doorgeverij Zinderend, Bergen op Zoom, 2006)

 

 

Alleen op Sulawesi

 

Bijna iedereen zegt ‘Hè, bah!’

wanneer jij je gezicht vertoont.

Het zijn die natte wroetneus

en die rare kromme tanden

die bevreemden, babiroessa.

 

Ik aai je graag, je komt er echt

voor liggen. Je slimme ogen

zeggen dat je blij bent dat ik

daar naar kijk. Alleen op Sulawesi

kom jij voor. Je lust graag appels.

 

In een vloek en een zucht zijn

die vermalen. Je staart lijkt op die

van een olifant, wist je dat? Scharrel

rustig voort, zachtmoedig zwijn. Ruik

fijn verder naar vers fruit en regen.

 

 

Polderbos

 

Onze blik kabbelt met de golven op

en neer. Kruivend lover beschut tegen zon.

Hier tussen stroom en polder lijkt de stad ver

weg. Van vogels heeft ze wel gehoord,

 

van modderige kielen ook. Haar treft geen blaam.

Daar gaat ze dan, rivier van zuid naar noord.

Zij was er eerder, veel eerder dan wij

maar ze weet niet eens haar naam.

 

 

Onze vader

 

Op het beeldscherm plots

via de computer van mijn zusje

onze vader als een voorstudie

 

van zichzelf. Hij vermomt zich

amper op een tandem, voor

een meisje dat verdween.

 

Hij lacht, in tijden die wij

angstig moeten vinden

van de boeken. Hij lacht.

 

Van ganser harte. Hij kijkt

door heel de wereld heen, en ik,

ik werd van hem een verte.

 

Ik zie hem zo weer

 

staan.

 

 

                               Uit het dagboek van een prins

 

Wij weten van dit land dat het bestaat,

en denken van dit volk dat het graag leeft.

 

Het heeft merkwaardige mensen.

Sommige maken wandelingen van uren

 

in een draaideur. Andere zwaaien

naar schaduwen. Er zijn er zelfs die lezen.

 

Ik was in een winkel waar je zomaar

sigaretten kunt kopen. In pakjes.

 

En wat me telkens toch weer opvalt:

Er zijn weinig zwervers zonder hond.

 

 

Première

 

Wenen. Mei 1906. Salome van Richard Strauss

gaat klinken in deze oude Dubbelmonarchie.

 

Uitverkochte zaal, leert een kier tussen gordijnen.

Geroezemoes heet in het Duits Geschwirr.

 

Benieuwd naar wat er komen gaat slaat

Gustav Mahler zijn programmaboekje open. Hé, kijk:

 

ook Giacomo Puccini is hier. Wat verderop

strijkt bleek een jongeling, voor het eerst in de stad

 

om musea te bekijken, z’n haren glad. Net zeventien

is hij, en zijn paspoort noemt hem Adolf Hitler.

 

Licht dimt, en doek gaat op. Geruisloos haast,

als op een uitvaart de trage tred langs overlevers.