verschenen in Digther, 9de jaargang, nummer 3, Diksmuide, oktober 2008

 

 

In alle staten

 

In oude gouwen klinken zinnen als uit erts gehouwen.

Aanleg tot verwantschap is er nauwelijks. Men leeft hier

achterdochtig, maar beseft: als je niet bereid bent om te

luisteren moet je niemand iets gaan vragen. Dat valt me

 

al snel op. Terwijl ik kijk naar een wijs- en middelvinger

met geen sigaret ertussen passeert joelend een pluk jeugd.

Die schaamt zich zelden voor toekomst, leeft in een geur

van kauwgum en van colabubbels. Er is natuurlijk de reflex

 

van gewoonte, van het herkennen van mensen in kinderen.

Heel de dag zie je ze onbedaarlijk groeien met de graagte

van een peperboompje. Je moet om hen geen tranen laten.

 

Verbaas je beter over de gris-perle lengte van vogelenzang

die op een nieuwe zomer bouwt, zoals ieder blad dat trilt

in ít diepe woud op het komen van de regentijd vertrouwt.

 

 

Wie wil kiest zich een doel

 

Ach ja, de gemoederen. De erewoorden stug

als moederzorg. Hoe niets zich soms uitvouwt

tot het eigen kwadraat, perspectief van leegte:

fris de geopende armen van de ochtend in.

 

Asgrauw is er de glans van maskers, grimmig

de bagage. Dat zie ik scherp achter koffie, krant

en vensterglas in de slagschaduw van gespiegeld

dagmenu. Kortsluitingen krijgen carte blanche.

 

Zwaarte valt uit onweer als een spookhand in de nek.

Soms is de ziel onkalm, doet ze denken aan een hert

dat drinkt. Dan zijn alle verre dagen maar moeilijk

 

te verdragen. Luide lieden alom. Lijven vol bloed

staan strak van smachten naar blinkende kreken.

Voltooid als kalverliefde is de dracht van het hart.

 

 

Niets op de mouw

 

Het zwoegen van krijgsknechten hield me zelden

van het werk. Versterkte eerder drang naar inkt,

naar avonden van wonderen. Dat we, zo ver in de

tijd al, nog steeds voor immer samen willen. Veel

 

verder dan vroeger, van vroeger. Vervoerd bezie

ik de eenvoudige rust van de trouw, teken ik in de

lucht het parcours van alles en iedereen. Een grove

sprong in aardedonker lijkt vergiffenis. Begrijpen

 

van dat reine schuiven van de schemer gaat maar

langzaam, als het herkennen van een eendere ziel.

Van de verbeelding glijdt het zuivere, van de aarzeling

 

het nauw geluid, van de nacht het treuzelend lemmet.

Er wapperen ongekende vanen in een vreemde wind.

Wapenstilstand heeft men echt van horen waaien.

 

 

De overkant van later

 

Overal zie je in flou licht lieden die menen dat ze blij

zijn met elkaar. Dichtgeschroefde kelen en niemand nabij.

Zoals wind halsstarrig is hun zucht naar zin, naar vrij

van tomeloos treuren wonen in een kamertje aan de kust.

 

Dan is er springend tij, stuiterend zout. Je moet niet huilen

over storm. Het is een vorm van spijt die niet terzake doet.

Waak u voor de wraak ervan. Wij bewegen ogenschijnlijk

gemakkelijk dankzij buigzame kleren, waden door een lucht

 

waaruit langzame regen durft. Ik ben in dit duldende leven

gevoegd met geloof uit vroeger. De sluimer van begrip is mij

van kindsbeen bekend. Niet oud maar onjong voel ik me. Ziet:

 

het wordt droger en men weent. Om de overkant van later.

Water neemt bizarre beslissingen. Als oesters aan rotsen

kleven herinneringen aan verlangen. Begrijpt zee iets van vis?