Verschenen in Gierik & Nieuw Vlaams Tijdschrift, Antwerpen, 19de jaargang, nummer 72

 
JUVENAAT

Ik zat nooit aan de Rubicon, de Schelde is mij nader.
Maar sinds mijn jongensjaren hier blijft Caesar levenslang
dat stroompje oversteken. De wereld liet zich breed
ontvouwen: woorden kregen zin, dageraad werd eensklaps

rozenvingerig en achter elk licht ontsprong kordaat
een nieuw. Vervuld raakte ik van naamvalsvormen en geslachten.
Ik was er pril in zuivere jaren, ik was er lang geleden met
een boekentas vol kennis voor de veldtocht door het ware leven.

Voor altijd in het hart blijf je, als de eerste liefde
die verleden wordt in genitief: des tijds.

 

VAN HEFLIN MAAIT HET GRAS

I’m just a patsy, hield Oswald zelfverzekerd vol, het
blauwe oog voor altijd dichtgeslagen. Vlak voor hij de historie
binnentuimelt is de teruggetrokken schutter

 – zo willen reconstructies – bezoeker van een cinema
waar Cry of Battle met Van Heflin kleurloos draait.
Lee Harvey’s laatste film. En ziet hij daar iets van? Officer

J.D. Tippitt dood op straat, Jackie’s roze mantelpakje
onder presidentenhersenen, en ergens in een zonbeschenen tuin
maait Heflin, bijna 53, helgroen gras. Uit radio galmt moord.

Ook C.S. Lewis sterft vandaag. En Aldous Huxley.
Knarsende deuren, schaduwpatronen, weesgegroetjes
van beton.

MAN MET REGENSCHERM

 Bij een tekening van Fernand Khnopff

Valt een bui. Langs hem heen. 1884. Van
hedendaags belang ontdaan is hier meneer
Edmond Picard slechts prachtig weggezette man
die verzonnen zwezerik van kalf af, en volgens mij
dronk hij daarna nog lui wat bier.

Dat toch de wereld kaal is. Gedachte. Half op weg.
Zijn hoofd zit vol waardinnenboezem en van
Wagnerdeunen. De procureur-generaal is als
het regenscherm glad van zin in meer.

Heet wat zich daar vlak voor hem in een plas duwt
nu nog schaduw of past in dit weer een ander woord?
Zwijgend als vermoord kijkt hij schuw van alle leegte

amper schamper.

Bert Bevers