Verschenen in Het Ruisend Gewas,

2de jaargang, nummer 4/5, Tongeren, 2007

 

 

 

Intrede

 

Vale hoop en verre woonst waar het wenken

van zwakke zonen loont: draag uw mantel

met kalmte, en knak het voorbeeldige riet niet.

Houd maar beter halt en begrijp de vertwijfeling

van weerkerenden. Wie huivert voor de smacht

 

wacht immers langzaam. Aan trillende wieken

plakt wind. Hoe lang dood duurt weet geen mens.

 

 

Kopschuw

 

Hol van verdriet zijn buren. Van muren kennen

zij slechts één kant. Van op een afstand herken

je overal geheime diensten. In kerken, in wagens,

in het abattoir.  Laat ons hartgrondig vloeken maar

zachtjes. Wat is taal zonder mensen die haar lezen?

 

Ze doen wat ze doen. Boeren zaaien. Zangers zingen.

Schrijnwerkers timmeren. En verraders verraden.

 

 

Plots

 

Bleek en stil als een verdwenen spraak het bijzijn

van barmhartige getuigen. Vanuit hun wijkplaats

zien zij ultimatums verstrijken. Honkvast broeien

in vergeetputten de wrede taboes die ook klopten

in de aders van onze voorvaders. Wat is nu een

 

zwaard nog waard? De steel van de bijl keert zich

dikwijls tegen het woud waar hij vandaan komt.