Verschenen in Hollands
Maandblad, Den Haag, 29ste jaargang, nummer 481
Alsof ze ooit op deze wereld
kwam
al wetend zo te worden opgezet
staat hier ardea cinerea blauwe reiger
de kraalogen blikken de vitrine uit.
Zichzelf ook in, in dode introspectie.
duizenden kikkers en het land alom
door water weerkaatst in bevroren herinnering.
Nog iets te zeggen heb je niet huilt
heel je lijf dat al maar niet bewegen wil.
De ruit spiegelt: ik denk dat ik een oever ben.
*
Er huist een zanger in de
wortels
van zijn stem: geen lied laat hij ongezongen
laat hij steeds met klem weer horen.
eens te ontsporen in het niet willen ontstaan.
Sotto voce wordt dan weer de melodie
gekapt uit het vergaan: te lijf
gegaan de onvermoede koren.
minutenlang op niets gericht als om te
oefenen op een vergeten instinct.
Vermommen kan hij zich als ambtenaar,
soldaat of arbeider maar werken
het papier nog witter schijnen doet trekken
tijden uit zijn onbewuste lijnen naar elkaar.
materie om te gaan. Altijd wel weer
is
er een angst om ver vandaan te kruipen.
al gezien?” vraagt hij zich af terwijl hij
daar zijn verse zweet vanaf ziet druipen.
*
RICOCHET
Ontheemd gedraagt de dichter zich te velde.
Geen geur is er die hem vertrouwt.
Hij hoort niet thuis in deze vormeloze weelde
waarvan de rijkdom hem voor
zich verborgen houdt.
Pas thuis, aan zijn bureau, weet hij op afstand
te vermoeden dat leven pas zich
Dan ricocheert besef, slaat aan op
ongeweten denken en ketst verbeten
woorden op papier, als deze.
Een
toevalstreffer raakt het doel zo goed
als welgericht een schot.
Bert
Bevers