Verschenen in Dichters in de Prinsentuin

Samengesteld door Roos Custers

Uitgeverij Passage, Groningen, 2007

 

 

Sprookjes

 

I

 

De wakkeren mogen vanaf heden lege warenhuizen

in. Wij geloven hen niet maar doen alsof. Slapen hoef

je immers niet te leren. Verbaas ons dus: blaas van lage

torens. Van lage trage torens. En kijk maar zo lang als je

kunt, als in de eeuwigheid voordat je  klok leerde kijken.

 

Dwergen moeten niet op drijfzand dansen. Want

wij stammen allemaal van sprookjes af. Allemaal.

 

 

II

 

Is de zwarte heks ook daar? Nee, nee, nee.

Drie keer moet je ommegaan, de vierde keer

je kop eraan, vijfde keer ‘Kom mee, vrouw Kee’,

daar heb je haar, daar heb je haar. Zwijgzaam

als Pius VII die achter de nieuwe keizer zit.

 

Al goud. Hij denkt eraan terug hoe hij zelf

gekroond werd met een tiara van papier-maché.

 

 

III

 

Bijna schreef ik een brief naar goden in een streek

die ik niet begrijpen wil. Met nieuws allerhande. Dat

de Odeonsplatz nabij is als een zonnebril, als een mug

op je hoofd, als het vers dat beloofd, als de kus die geroofd

werd en het licht in de lucht en de zucht naar geduchte

 

buien. In onschuld groeien wortels onder struiken vol zachte

twijgen. Het lijkt alsof fanfares serenades blijven spelen.