Verschenen in Revolver, 28ste jaargang,

nummer 111, Antwerpen, september 2001

 

 

Van Heflin maait het gras

                       

I’m just a patsy, hield Oswald zelfverzekerd vol, het blauwe

oog voor altijd dichtgeslagen. Vlak voor hij de historie

binnentuimelt is de teruggetrokken schutter

 

- zo willen reconstructies - bezoeker van een cinema

waar Cry of Battle met Van Heflin kleurloos draait.

Lee Harvey’s laatste film. En ziet hij iets? Officer

 

J.D. Tippitt dood op straat, Jackie’s roze mantelpakje

onder de presidentenhersenen, en ergens in een zonbeschenen tuin

Van Heflin maait Heflin, bijna 53, helgroen gras. Uit radio galmt moord.

 

Ook C.S. Lewis sterft vandaag. En Aldous Huxley.

Knarsende deuren, schaduwpatronen, weesgegroetjes

van beton.

 

 

De kamer van Justus Lipsius

 

Aan de oude muren authentiek Spaans goudleer,

Henri de Braekeleer legde dat zo mooi

vast op zijn Man in stoel. Hier is het echt.

 

Naast de vuurplaats staart Seneca stervend

met bange ogen van Rubens door twaalf

raampjes naar binnentuingebladerte.

 

Lessenaar smachtend naar beschrijving.

De vloer telt wel achttienhonderd tegeltjes,

eronder geduldige grond. Over deze stille wereld

                       

van bestorven dingen nu opent de avond zich traag,

als een mossel. Ergens klinkt een cantus firmus.

Buiten is regen koel en op weg naar het oosten.

 

 

 

In deze Revolver verder ook de gedichten De Boer van Tienen,

Stabilitas Loci en Winterlandschap met kauwtjes.