Verschenen in Revolver, Antwerpen, 29ste jaargang, nummer 117

OMMEKEER

           voor Laura, tien

Ik gooi een shilling in het diepe voor mijn dochter
En ze brengt een Victoriaanse penny uit de Landoorlog naar boven
Die ik als wisselgeld kreeg op een bus in het jaar van de maanlanding.

De munt tolt in een boog naar haar beslagen snorkel.
Nu is het een Kennedy halvedollarstuk van haar overoudoom
Die encyclopedische pillen las tijdens de slag aan de Somme.

Nog een! schreeuwt ze. Nog een! En haar benen zijn weg van me
Totdat ik de handstand terugspoel in de zoeker
En mijn dode broer terug zie stromen naar de duikplank

Eerst zijn voeten, hulpeloos, zijn slaapwandelaarsarmen gestrekt.
Meer! zegt ze. Haal alles uit je zakken!
En ik gooi mijn kleingeld erin, mijn huissleutels,

Mijn trouwring, het kwik uit mijn mond,
En zij brengt het allemaal naar me terug in het zilver van water,
Houdt de vangst voor haar ribben daar waar haar borsten op een dag

Zullen opwellen naar het goede, het doorgaande, het ondergane,
Dingen waarin we fundamenten lieten zakken, wadden en zandbanken,
Ons eindige, krioelende, tijdrovende VenetiŽ.

*

IN HET ZAND GETEKEND

Mijn vader op zijn tachtigste, zijn geboortedag de black-out van een aartshertog,
Rommelt nu tussen grafstenen op zoek naar zijn mama en pa.
Stadsvossen hebben hun achterste grandioos gewreven
Tegen de vitale statistische gegevens van de gebochelde van Donnybrook

Die niet gemakkelijk kon berusten in zeventig gestapelde kussens
Of een trouwfoto die hem de last van de wereld op zijn schouders toonde;
Op mijn grootmoeders schoot, met het zilverpapier van paaseieren
En de sabelbonten staarten van stola's, decanteert slib in geweien.

Hun grafzerk bleekt op tot een waslijn met de stront van vogels
Die hem van een klooster in het Atlasgebergte kwamen wieken;
De wiegendood in een schoenendoos zou kunnen verdubbelen als een bolster,
Gezaaid als een chequeboek van Thomas Cook in de slaapzaal

Waar ik me haar met vulpen geschreven postkaart van de Dode Zee verbeeld
Aan een zuster wier minnaar in spe een Franse zandzak vulde.
'Als je uit het water stapt, moet je je onmiddellijk
schoon wassen. Doop stroomopwaarts. De Jordaan houdt hier op.'

Schuimbeestjes, gespaarde irissen, afgesleten piepschuimen mokken:
Ciderfanaten als glasblazers doen condooms tussen obelisken zweven
Waar eens de levende beelden van mijn weinige kinderen de leiding hadden
Op het eerste doorspoeltoilet van Irishtown. Volgende halte Sandymount.

Mijn vader staat op en valt tussen de tafelen van graniet
Als een mullah, als de witte zeepaarden waar hij met stompjes krabbelde.
Degenen die groot en grootgroot waren - de kleine, laattijdige ridderschappen -
Stormen en bezinken in kinderkamerintriges van gekraste Latijnse hondenpenningen.

Daar is hij. Hij sluipt tussen de schaduwen van groenblijvers
Op een geluidloze slow-motion manier. Het is altijd
Een serpentineoptocht in zwart en wit in de sprinkhaan bioscoopjournaals,
De kaalhoofdige doden wuiven met hun petten naar het lichtkogelvuur,

Terwijl zijn kleinkinderen spelen in de zandbak die ik voor hen maakte,
Doorgangsgraven gravend uit hun vier zakladingen strand,
De grafheuvels strelend als een zwangerschap, als een Boeddhabuik,
Of een borst bouwend met stralend een fleskurk als tepel

Totdat het een baljuwschap is met muren en een verswaterbron.
Ruimte voor munitie. Plannen voor doodslag. Tegen de tijd
Dat de oude man, verdwaald op het alfabetische kerkhof,
Terug is waar hij zichzelf had aangetroffen voor de sirene ging

Zal het vervallen zijn. Hij volgt de schriftuur helemaal,
De pijlpunten van vogels op hun weg terug naar de woestijn.
Nu ratelt zijn wandelstok tegen de ijzeren tralies van het met de klok
Meebewegende draaihek. Nu gaan zijn nakomelingen overeind staan in de bak,

Brengen zij het zand het huis in op hun handen, hun voeten,
Laten ze het achter in de gootsteen, op de trap, op de warme overloop,
Op het voeteneinde van het bed, in de opgestapelde kussen zelfs,
De gleuven in onze gezichten waar we luisteren en kussen.

*

CAMERAíS

De eerste foto zal altijd het laatste woord hebben.
Een van Haussmanns avenues voor een Napoleon met een nummer
Ziet een eeuw van geautoriseerde ansichtkaarten onder ogen
Terwijl de boulevards breder worden om barricades te voorkomen.

Je zou bijna de grote, ouderwetse Chevalier zaliger verwachten
Om met een rotan wandelstok tussen de afgemeten boompjes te slenteren
En de daken op te tillen alsof hij zich bevond in een poppendorp
Waarin elk loden figuurtje van ouder dan, zeg, zestig - want dit is 1838 -

Weet dat het najagen van gelukt afhangt van eensgezindheid,
En de conciŽrge medicinale sherry toestopt.
Maar de straat is leeg. Licht tekent haar met potlood.
De vlekken hier zijn geen paardenmest maar de bewegingen van tijd.

Een rechte lijn verandert de hoek in een spergebied,
Het metselwerk van de met traangas bestookten, de met de gummistok bewerkten,
Een kaalhoofdige vrouw tussen haar evenbeelden,
Een gevatte fotograaf schiet hen die op het punt staan neergeschoten te worden.
 

De jongen die in sandalen in het midden van die meimaand stond,
Een ansichtkaart snel heen en weer bewegend als een handspiegel
Alsof hij een gevangene was die seinde naar een groepje bevrijders,
Had ontdekt dat zijn onderwerp van belang was. Het was een kwestie van tijd.

Toen hij de ansichtkaart naar achteren boog, verdorde
Het damesbadpak op haar terracottaborsten als amfora's.
Alles hield halt. Treinen stonden stil in hun sporen.
De slapers rekten zich uit in een slaapstad tot aan de horizon.

Links en rechts om hem heen waren de straten leeg geworden.
De langharige kinderen waren op zoek gegaan naar de gehelmde.
Hij was zijn ouders uit het oog verloren op het moment van plezier
En was nu veroordeeld tot baldakijnen, gesloten blinden, de heldere

Incoherentie van straten waar zich niets verroerde
Behalve zijn lichaam. Het liep voor hem uit, een vaandeldrager,
Door zandzakken, lijkzakken, een landschap van strijdkreten,
De geschiedenis van huid en botten, onze loper,

Naar de adventsoverleveringen van vlees en bloed waarin we
Onze verprutste modellen van kinderen en kleinkinderen maken.
Hij is mijlen ver van waar hij begon. Hij begint opnieuw nu.
Hij richt een juist perspectief op de eerste bekende foto

En het hele ding wordt voor hem neergelegd in drie dimensies.
De schaduw van een man die zijn schoenen laat schoonmaken,
De schaduw van de schoenpoetser op zijn knieŽn voor hem.
De solide, opvallende vensters die een uitzicht op bedden omkaderen

In verduisterde kamers waarin dingen langzaam zichtbaar worden
Zoals het patroon van het behang  dat opwelt onder een verse deklaag -
De lipjes van laarzen, krantenstrips in nachtspiegels,
Kinderen die daglicht uit de schaduw geloven.

                                               AIDAN MATTHEWS

                                               Vertaling Bert Bevers