verschenen in Het Ruisend Gewas, 4de jaargang, nummer 1, Tongeren, lente 2009

 

 

Ontwerp voor genegenheid

 

Behoefte aan vroegte komt met de jaren, als er tegen

later geen bezwaren zijn. Dat zie ik aan de man die zich

in de vrijheid van de ochtend aan het raam zet, en zijn

dagelijkse kijken aanvangt. Hij weet dat van een boom

 

slechts een helft westenwind kent, dat het in november

stiller is. Hij dingt niet naar adoratie, deze smokkelaar

van ontgrenzing, maar weet wel exact hoe laat de vrouw

waarbij hij nog steeds geen naam bedacht passeren zal

 

met de blik op oneindig, met de glimlach omfloerst. Zo

graag zou hij nooit afscheid van haar willen nemen, van

wie hij denkt dat zij is, van wie hij verzint in de longen

 

van zijn taal, in de glans van jong morgenlicht. Waardig

schrijdt zij. Voor haar de diepte van de dag, te krijgen

kinderen. Hij prevelt: “Droom. O, droom toch voor mij.”